Recensies

Are we to mark this day with a white or a black stone? 

-Miguel de Cervantes

Fernando Sánchez Castillo – El sueño de la razón / De slaap van de rede
(juni 2013)

(Initially published on http://rijksakademie.tumblr.com/)

A film screen shows four men in the kind of blue shirts that to me signify slightly outdated army wear, with in the background a fighter-plane from the 1950s. In their hands small stones with which they make all kinds of sounds and rhythms and in front of them a man in suit that’s actually conducting. It all looks a bit foolish, but it turns out to be a very serious and very modern form of music, performed by professional Peruvian military musicians, for which a way of transcribing to music score has even been developed.

Photo: Courtesy Rabobank
Photo: Courtesy Rabobank

The video Stone Soul Army forms an important part of the exhibition El sueño de la rázon/De slaap van de rede, a solo exhibition of Rijksakademie alumnus Fernando Sánchez Castillo at the Rabo Kunstzone in Utrecht. The other major work the exhibition centres around is the 5,16 metres high statue Tank Man, an interpretation of the anonymous man that stopped a row of tanks at Tiananmen Square 25 years ago. How do you create a statue of a man that has no face? Solving this problem, Castillo asked Chinese students in Madrid to pose as the ‘Tank Man’ – a man that most of them didn’t know, interestingly enough – and scanned them. Using elaborate computer software, he merged the faces of these students into one and used this to provide this anonymous man with a somewhat generic Chinese face. In producing action-figure like statuettes, he also tried merging the ‘Tank Man’ with Lei Feng, a popular offspring of Chinese propaganda. A hero of youth, the young soldier Lei Feng never really existed. In combining this famous face of a fake hero with the anonymity of a real hero, Castillo offers a lot of food for thought on the very subject of heroism and popularity.

Photo: Courtesy Rabobank
Photo: Courtesy Rabobank

The size and colour of Tank Man places it in the century old tradition of statues depicting important persons – mostly men, to be honest. Its size being exactly one centimetre smaller than Michelangelo’s David – a humble gesture towards the Renaissance master – and its colour the same pristine white, Tank Man echoes this statue that is a canonical piece of the development of Western art. But even though the David as a statue would become an example for many a dictator that opted for something enormous and white when looking to be portrayed, the political venom seems to be taken out of this particular statue, keeping the exhibition from being a one-sided political statement. One of the main virtues that causes this, is the fact that the whole room in which Tank Man is placed, can be seen as the presentation of a process, of research. Elements will also be added during the exhibition, so the process did not end with the opening of the exhibition. This ultimately makes the show very thought provoking instead of judging.

Detail Mind Map
Detail Mind Map

Heroism and anonymity, weaponry and creativity: all dualistic features that can be discerned in Castillo’s works that have been collected by the Rabobank since 2005.  Regardless of the different topics that can be recognized, Castillo argues that basically, the exhibition can be brought back to one thing: stone. In an associative mind-map that visually illustrates the thoughts of the artist leading up to the exhibition, we see the development of mankind, of the citizen, but also of the roles and functions of stone in this development. We see tools, weaponry and artworks like the David. For a better understanding of this perspective, it is good to return briefly to the title of the exhibition. It is derived from an etch by Goya that carries the same title, and in the booklet that goes with the exhibition is described as follows: ‘Fantasy abandoned by reason produces impossible monsters: united with her, she is the mother of the arts and the origin of their marvels.’ In the mind-map we see the duality of the stone as it can be picked up and be made into a weapon or made into a work of art, or even into music.

 


Rondje Rotterdam (juli 2012)

Ballade
‘Een voormalige Onderzeebootloods in de haven van Rotterdam is omgetoverd tot de grootste expositieruimte van Nederland.’ Zo kondigde Museum Boijmans van Beuningen haar nieuwe tentoonstellingsruimte aan toen deze in 2010 in gebruik werd genomen met de tentoonstelling INFERNOPOLIS van Atelier van Lieshout. AVL zou toentertijd in de 5000 m2 grote loods een ‘huiveringwekkende setting’ hebben gecreëerd. Althans, dat vond de website van het museum zelf. Ik herinner me dat ik het eigenlijk gewoon een hele grote vloer vond met daarop veel werken van AVL. Veel en groot. Het uiterlijk van de loods en de werken gingen niet erg duidelijk een dialoog aan. Beiden waren interessant maar werden samen niet meer dan wat ze al waren. Een gemiste kans.
Des te leuker was het dan ook om in de loods terug te komen en te worden verwelkomd door op witgevederde fietsen rijdende bezoekers, zwierend op de klanken van een groot carillon op hoge boomstammen. De totaalinstallatie Ballade die de Turkse kunstenaar Sarkis er heeft ontworpen maakt van de grote vloer een speelvlak en laat de enorme ruimte daardoor gonzen van activiteit. ‘Ik doe nog een rondje,’ zegt een volwassen man schuchter terwijl hij verder gaat over de vloer die bezaaid is met dezelfde veertjes als die op zijn fiets. Ondertussen klinkt een jazztrio met de carillonspeler op de toetsen. Sarkis Carillon In de ruimte zijn drie delen te onderscheiden doormiddel van gekleurd folie op de ramen en gekleurde TL’s. In het blauwe deel staan de fietsen in een cirkel opgesteld. Deze vorm wordt in het rode deel gekopieerd door de boomstammen die het carillon dragen met daarnaast een goudgeverfde pallet die dan weer verwijst naar het gouden bankje halverwege de boomstammen. In het gele deel staan twee andere werken van Sarkis opgesteld (een houten boot en een UFO), is een restaurantje en staat een grote ronde tafel waarop je met neonletters wordt gevraagd iets van jezelf achter te laten. De opstelling lijkt gedicteerd door de ruimte terwijl de ronde vormen er juist ook een nieuw karakter aan geven.
Waar bij de tentoonstelling van De Appel (zie onder) vooral buiten de tentoonstellingsruimte mensen worden aangesproken en gestimuleerd om deel te nemen, nodigt Sarkis hen uit dit binnen te doen. Waar de jonge curatoren in Amsterdam humor als bindmiddel gebruikten lijkt bij Sarkis de muziek – zonder jazztrio is het muziek van John Cage – en de haast lyrische manier waarop je met de andere bezoekers al fietsend sporen veertjes achterlaat, het geheel tot een hoger plan te brengen.
In het Boijmans-Van Beuningen zelf staat tegelijkertijd de tentoonstelling Minimal Myth. En gek genoeg zien we ook hier een spel met de ruimte. De techniek is wat theoretischer dan die van Sarkis, maar ook bij de minimalistische kunstenaars uit de jaren 1960 zien we pogingen om de toeschouwer duidelijk te maken dat de tentoonstellingsruimte en de werken net zo fysiek zijn als zijzelf. Ze wilden weg van de kunst voor passief kijkgedrag en naar kunst die de toeschouwer activeert. Terwijl Mel Bochner ons door middel van afmetingen bewust maakt van de ruimte, zien we achter zijn werk het groffe beton van Oscar Tuazons Dead Wrong door de muur breken. We zien in Minimal Myth meer van deze grote namen van vroeger op een interessante manier aangevuld worden met hedendaagse kunstenaars. Oscar Tuazon 'Dead Wrong' Want hoewel Bochner en Tuazon een verschillende techniek gebruiken, breken beide werken met ons idee van ruimte; Bochner door van de ruimte een ding met afmetingen te maken en Tuazon door een vaste begrenzing van de ruimte letterlijk met materiaal kapot te storten.
Beide tentoonstellingen vullen elkaar aan. Speels en inhoudelijk krijg je een beter idee van hoe je als toeschouwer bij kunst wordt betrokken. Hoe het voorbij gaat aan kijken en dichter raakt aan je leefwereld. Daarbij komt ook nog eens dat de ervaring beter wordt als je zelf de verantwoordelijkheid neemt om er alles uit te halen dat er in zit. Dus laat iets achter, fiets een extra rondje en neem de tijd om te ontdekken wat je nu eigenlijk echt ziet.

Kijk hier voor een interview met Sarkis.


Finissage Three artists walk into a bar… (juni 2012)

Three artists walk into a bar…, de tentoonstelling van De Appels vers getrainde curatorencollectief The Black Swan eindigt met een bezoek van Maurizio Cattelan. Bekend met het werk van Cattelan sta ik te wachten op welke smoes de 6 jonge curatoren hadden bedacht om te verklaren dat Cattelan niet komt opdagen. Het antwoord laat niet lang op zich wachten en enkele zwartgeklede mensen met een wit master lopen de ruimte in, sluiten de deuren en laten zwarte doeken neer voor de ramen. Een gijzeling.

De uitvoering van de gijzeling is weinig overtuigend en het effect blijft dan ook dat van een voorstelling, de urgentie om je daadwerkelijk aangevallen te voelen miste. Toch is de keuze voor een gijzeling een interessante. Zoals bij iedere gijzeling wordt er losgeld gevraagd. Via een videoboodschap wordt duidelijk dat de gijzelaars de deuren pas weer openen, wanneer iedere aanwezige een goed onderbouwde mening over de tentoonstelling inspreekt op een van computers die in de ruimte staan opgesteld. Daarin schuilt nu juist wel de urgentie om je aangesproken te voelen over je betrokkenheid bij een tentoonstelling die bij menig verni- of finissage ontbreekt.

three-artists-1

 

Want hoe zat het nu met de tentoonstelling? Een van de grootste verdiensten die het concept kent, schuilt in de curatoren zelf. Doordat ze bij veel van de activiteiten zelf aanwezig zijn, ontstaat een gastvrije sfeer. De tentoonstelling krijgt werkelijk de sfeer van een project waaraan aandachtig en met toewijding gewerkt wordt. Als toeschouwer geeft dat een goede stimulans om dit proces wat meer aandacht te geven dan gebruikelijk. Doordat bij de meeste werken ook het maakproces – en dus de kunstenaars – te zien is, wordt dit alleen maar versterkt.

Alle werken waren buiten de tentoonstellingsruimte te vinden. De bindende factor die The Black Swan gebruikte was dus niet het gebouw, het bindend concept was humor. Humor als gereedschap, als strategie om het ‘potentieel van kunst als kritisch instrument voor het analyseren van sociale, culturele en politieke kwesties’ te testen. De veelheid aan projecten waaruit dit project was opgebouwd, maakte het geheel echter onoverzichtelijk waardoor het als toeschouwer moeilijk was je tot het geheel te verhouden. Diende de humor als ironisch commentaar op de kwesties die onderzocht werden? Was het een positieve benadering voor het omvormen van de publieke opinie over de subsidieslurpende culturele sector? Op de website die bij de tentoonstelling hoort staat vermeld dat de humor verschillende groepen aan zou kunnen spreken en verschillende stemmen in een collectief bewustzijn samen zou kunnen brengen. Het eerste lijkt me gelukt, maar of het tweede ook gelukt is zal moeten blijken.

Maar terwijl ik gegijzeld en wel naar de registratie van werken kijk waarover ik een mening dien te gaan geven, merk ik dat ik ze bekijk om een mening over het geheel te vormen. Er mogen in de uitvoering dan wel wat steken gevallen zijn, een experiment dat met zo’n persoonlijke en ook kwetsbare houding een kijker tot criticus forceert, voelt als een erg welkom initiatief.


Het fort als denktank voor design

Verschenen op tubelight.nl op 02-09-2010

Vlak buiten Leerdam ligt Asperen. Vlak buiten Asperen ligt een een fort. Dit fort, onderdeel van de Nieuwe Hollandse waterlinie, opent sinds eind jaren tachtig vier maanden in het jaar zijn deuren om zichzelf en de kunst die er op dat moment gehuisvest is te laten zien. Waar vorig jaar Ben van Berkel en Caroline Bos in het fort hun tentoonstelling Retreat toonden, stelde designplatform Tuttobene dit jaar de eerste editie samen van een nieuwe designbiënnale in het fort, getiteld DNKTNK, ofwel denktank. Het werk wordt gepresenteerd als ‘design van de toekomst’. Toch lijkt het alsof de ontwerpers zelf juist heel terughoudend zijn over de manifestatie van hun ontwerp in de toekomst.

Tuttobene wil met DNKTNK vooral het ontwerpproces uit de doeken doen dat aan de hedendaagse ontwerppraktijk ten grondslag ligt, want juist in dat proces ligt het engagement van de ontwerper verborgen. Van elke designer zijn meerdere zalen met werk ingericht. Hierin krijg je verschillende stadia van een proces te zien of verschillende voorbeelden van een concept. Aangevuld met de projectie van een gesprek tussen David Heldt (Tuttobene) en de betreffende ontwerper, geven deze presentaties een vrij compleet beeld van wat de designer met zijn of haar werk wil bereiken.

Drie duistere fortkamers tonen de bezoeker het conceptuele werk van Joana Meroz en Stefaan Vervoort. De mensgrote, minimalististische L-vormige sculpturen van Robert Morris’ Untitled (L-beams) uit 1965 benaderden ze als drie variaties van een stoel. Hun enige ingreep is elke L-vorm van een kussentje voorzien. Eigenlijk kan iedereen een designstoel maken. Althans, dat is de conclusie die hier voor de hand ligt. Meroz en Vervoort verkennen met hun werk echter de consumptiemaatschappij en de rol van vormgeving daarin. In de derde zaal tonen de ontwerpers hun werk verpakt in dozen en in serie opgesteld op een stel pallets. De muren zijn dan wel niet blauw en geel geschilderd, het uiterlijk van de etiketten verwijst onmiskenbaar naar de Zweedse meubelgigant. De toon is gezet: de vraag is hoe ontwerpers om moeten gaan met massaproductie en duurzaamheid. Het meest duurzame ontwerp, zo benadrukken de ontwerpers in het bijbehorende interview, is waarschijnlijk helemaal geen ontwerp.

Hedendaagse designers reageren volgens de tentoonstellingsmakers op de economische en ecologische zorgen van dit moment met een vormtaal die context zichtbaar maakt. Dit is ook terug te zien in de tentoonstelling. De bijbehorende context wordt duidelijk in persoonlijke verhalen bij gebruiksvoorwerpen die vervolgens worden omgevormd tot antropomorfe objecten (Nikola Nikolov). Of wanneer de vormtaal van oude culturele gewoontes wordt gecombineerd met een nieuwe situatie van bijvoorbeeld immigranten (Lotte van Laatum).

De ontwerper kan de consument deelgenoot maken van het productieproces. Via korte wegen tussen herkomst van de materialen en het product en korte wegen tussen product en gebruiker. Het zijn populaire tactieken om de consument bewust te maken van wat een product nu eigenlijk is, behalve een mooi of handig object. De relatie van de gebruiker met de herkomst van een product is ook de leidraad in het werk van Christien Meindertsma (1980). Hoewel er aardig wat schapen rondlopen in Nederland wordt de voor de Nederlandse productie gebruikte wol veelal geïmporteerd. Meindertsma ging dichterbij op zoek naar wol. De meeste schapen in ons land worden voor het vlees gehouden. Het scheren van hun vlezige schapenlijfjes kost meer dan dat de wol opbrengt. Dit stimuleerde Meindertsma om eens uit te zoeken hoeveel handige producten een Nederlands schaap nu eigenlijk op zou kunnen leveren. Uit schapenpoep kan bijvoorbeeld papier gemaakt worden. Maar hoeveel vierkante meter weiland moet een schaap eigenlijk leegeten om genoeg mest te produceren voor een A4-tje? ‘Ik denk dat mensen steeds meer oprecht geïnteresseerd raken in waar dingen vandaar komen, maar het is moeilijk om er iets mee te doen, als consument.’ Bij Meindertsma is de herkomst bepalend geworden voor het ontwerp.

Voor de tentoonstelling DNKTNK als geheel in Fort Asperen is herkomst ook bepalend geworden. Hoewel het een uitstekend streven is om niet alleen het eindproduct van de ontwerper maar ook de weg daar naartoe te tonen, zijn ontwerpwerkwijzen lastig over te brengen. De beweegredenen van elke designer worden prachtig geïllustreerd door de veelal sterk opgestelde objecten, maar de verschillende strategieën van de ontwerpers lopen te ver uiteen om te spreken van een nieuwe werkwijze in het algemeen. En een beeld van het ontwerp van de toekomst krijgt de bezoeker na een bezoek aan DNKTNK al helemaal niet. Maar dat klopt wel, want een terughoudend, blanco toekomstbeeld is wellicht juist heel hedendaags.

DNKTNK
Ontwerpers van vandaag, design van de toekomst
Anke Bernotat, Lotte van Laatum, Christien Meindertsma, Joana Meroz, Nikola Nikolov, Damian O’Sullivan, Bo Reudler, Celia Sluijter, Stefaan Vervoort, Arnout Visser

t/m 30 september
KunstFort Asperen
Langedijk 60, Acquoy
www.kunstfortasperen.nl


Tentoonstellen 2.0. Wormhole in Dordrecht

Verschenen op metropolism.com op 12-02-2009

Voor Wormhole, de jongste creatie binnen de Proeftuinreeks van het CBK Dordrecht, ga je gewapend met een iPhone en een flinke hoofdtelefoon op zoek naar door de stad verspreide geluidsfragmenten. Curatoren Edwin van de Heide en Joost Rekveld kregen opdracht geluid in de openbare centraal te stellen in een tentoonstelling, met als resultaat tien jonge kunstenaars die elk een GPS gestuurde geluidsroute maakten.

Terwijl je als bezoeker/deelnemer – met enige door de buitenproportionele hoofdtelefoon veroorzaakte gêne – door het centrum van Dordrecht loopt, kom je met behulp van het GPS systeem van de iPhone op diverse locaties geluidsfragmenten tegen die bij een van de tien werken horen. Om de zoektocht wat gemakkelijker te maken, is een plattegrond gemaakt die de zones toont waarbinnen de geluidsfragmenten uitgezonden worden en zijn er verschillende routes uitgezet. De verschillende gebieden overlappen elkaar regelmatig, waardoor je met je iPhone gemakkelijk van het ene naar het andere werk kunt overstappen en zo je eigen route kunt bepalen.

Als je besluit de aangegeven routes te negeren en over te schakelen op deze ‘dwaalmodus’ worden de interactieve mogelijkheden van de GPS-techniek pas echt duidelijk. Hoewel de zones soms te klein zijn om de zendgebieden nauwkeurig uit elkaar te houden – waardoor het systeem dus niet altijd optimaal werkt – heb je zo een grote mate van zelfstandigheid in je benadering van de tentoonstelling.

Sterker nog, wanneer de plattegrond vergeten wordt werkt het concept het sterkst. Juist dan gaan de geluidsfragmenten een relatie aan met de fysieke omgeving, wat geregeld leidt tot een vervreemdend effect. Bovendien dringt er geluid van buiten door de hoofdtelefoon, waardoor je nooit helemaal zeker weet of het geluid dat je hoort nu een van de fragmenten is of een geluid uit de werkelijke wereld om je heen.

Verschillende werken zijn gebaseerd op het dwaal-idee, zoals het werk Harmonie van Gosse de Kort. Hij maakt van het Scheffersplein een klankbak waarin verschillende geluidsfragmenten hun eigen plek hebben. De toehoorder wordt gestimuleerd een eigen route over het plein te kiezen, en zo het werk tot een persoonlijke compositie te maken.

Bij die werken waar het sturen van de toeschouwer noodzaak is, gebeurt dat door middel van geluid. Door overlappende geluidsvelden bouwt Ülemiste van Renzo van Steenbergen bijvoorbeeld op naar een sterke climax. Als bezoeker kun je dus zonder gebruik te maken van de plattegrond de route vinden door af te gaan op het aanzwellende geluid.

De betrokken kunstenaars – oud-studenten van beide curatoren – zijn allen op een conceptueel verschillende manier met de aangeboden techniek omgesprongen. Zo maakt Léon Spek je bewust van je omgeving door zich te focussen op de geluiden die normaal onhoorbaar blijven. Daar tegenover staat het vervreemdende effect van Jochem van Tols geluidsfragmenten die afkomstig zijn uit een context die geheel niet rijmt met de locatie van het werk.

Renzo van Steenbergens lineaire werk, waarbij beweging en geluid in elkaars verlengde liggen staat tegenover Robert Pravda’s interactieve verhaal waarbij de beweging van de toehoorder een bepalend is voor de structuur van het werk. Maurits Fennis en Taco Stolk richten zich op meer theoretische experimenten waarin met audio architectuur gesuggereerd wordt (Fennis) en de relatie tussen zichtbare en hoorbare afstanden wordt belicht (Stolk).

Deze conceptuele diversiteit komt in de uitvoering helaas niet sterk naar voren. Voor de toeschouwer is het gemakkelijk om elk werk te reduceren tot de gelijksoortige ervaring van het ontdekken van geluidsfragmenten tijdens een wandeling door Dordrecht. De wijze waarop je als bezoeker binnen de verschillende werken wordt aangesproken, vertoont uiteindelijk veel overeenkomsten. Dat het een aanzienlijke tijd kost om alle vaste routes afzonderlijk te lopen draagt hieraan niet positief bij.

Toch blijft Wormhole als geheel goed overeind staan. De mogelijkheden van nieuwe techniek worden verkend en dit levert een bijzondere en nieuwe ervaring op. De stad wordt tot een auditieve speeltuin gemaakt die er in slaagt een nieuw beeld van de openbare ruimte tot stand te brengen. Bovendien zijn de ideeën die ten grondslag liggen aan de werken ondanks de eenvormige uitvoering conceptueel sterk. Het Dordtse experiment belooft in ieder geval veel goeds voor soortgelijke culturele toepassingen in de toekomst.


(Verschenen in Tubelight #56)
MULTITASKING
SM’s 2008

siltberg-ambidextrous
Lars Siltberg, AMBIDEXTROUS PERFORMANCE, 2006Het simultaan uitvoeren van meerdere taken is niet voor iedereen weggelegd. Toch willen veel mensen graag tegelijkertijd bellen, mailen, ontbijten en de krant lezen, én worden tussendoor nog nagels gelakt of wangen geschoren, want dat is wel zo efficiënt. Met de tentoonstelling Multitasking (2008) stelt het SM’s deze vorm van bezigheid, die volgens de samenstellers voor veel mensen een tweede natuur is geworden, ter discussie.De tentoonstelling lijkt voornamelijk gericht op het actieve deel van het multitasken. Bij het uitvoeren van meerdere opdrachten moet activiteit worden ondernomen. Maar de mens is al tijden niet meer de enige die actief opdrachten kan verwerken. Zo zien we meerdere werken waarbij de aandacht gericht wordt op de computer als actor, als degene die uitvoert.Een voorbeeld hiervan is de ‘spamtrap’ van Bill Shackelford. Spamtrap (2007) bestaat uit een printer die in verbinding staat met het internet en die spamberichten uitprint. De berichten komen rechtstreeks in een papierversnipperaar terecht; een aanval op het misbruiken van een communicatiemiddel. Verder zien we op de foto’s van Lars Tunbjörk de enorme werklast (prints en computerschermen) van voornamelijk Aziatische en beursgebonden bedrijven in de rol van protagonist. Deze werken tonen het grote vermogen tot multitasking van computers, wellicht om het tekortschieten van de mens te benadrukken.Maar ook de omvang van het ‘multitaskende’ vermogen van de mens blijft niet onbelicht. In meerdere werken zien we verbeeld hoe een mens zich aan dit nieuwe werkwoord onderwerpt. De stap naar de wereld van de performance is hierbij een kleine. Zo toont Lars Siltberg zichzelf in zijn Ambidextrous Performance (2006) terwijl hij verwoede pogingen onderneemt om met al zijn armen en benen teksten op een soort van schoolbord aan te brengen. Het lukt hem op geen van de vier punten om begrijpelijke woorden te creëren. Stefan Panhans vertelt de toeschouwer in Sieben bis Zehn Millionen (2005) in een haast onophoudelijke woordenstroom wat hem zoal nerveus maakt wanneer hij door een dichtbevolkte stad loopt, waar hij zich continu gedwongen ziet keuzes te maken. Het betoog wordt enigszins versneld afgespeeld waardoor het nerveuze gevoel aan de toeschouwer wordt overgebracht.De kunstenaars maken hiermee het rijtje mogelijke actoren nog niet vol. Naast het waarderen van meerdere vormen van multitasking, wordt de toeschouwer ook bewogen zich actief in de bezigheid te mengen. Word Parasites (2007) van Suchan Kinoshita bestaat uit een video waarop een spel gespeeld wordt, en uit twee stoelen aan een tafel waarop het daadwerkelijke spel ligt. Het museale bordje boven de tafel blijkt de speluitleg waarin duidelijk wordt dat alle blanco kaarten door de spelers een betekenis en een plaats op de tafel toebedeeld moeten krijgen welke gedurende het hele spel onthouden moet worden. De toeschouwer wordt in dit werk gevraagd bewust en actief te multitasken.Activiteit lijkt juist afwezig in het neutrale witte hutje waarin het geluidswerk Seriation II (1968) van Adrian Piper huist. Deze ruimte ga je in om te ervaren hoe tijd verstrijkt. Gedurende zeventien minuten wordt het woord ‘now’ in steeds kleinere intervallen herhaald, beginnend met behoorlijk lange tussenposes. Tegelijkertijd zie je door een raam in de wand de rest van de tentoonstellingsruimte waar de tijd ook gewoon doorloopt, maar zonder ingreep door een kunstwerk. Dat maakt je als toeschouwer bewust van het besef van de tijd zoals je die in het neutrale hutje ervaart. Tegelijk ben je als toeschouwer degene die deze wisselwerking in gang brengt door je actief te gaan richten op de dingen die om je heen gebeuren. Het tijdsvacuüm wordt steeds minder sterk naarmate je je naast de beelden ook richt op de geluiden buiten het hokje. Het is op deze manier bijna alsof de behoefte om in ieder geval maar iets uit te voeren het functioneren van dit werk aantast.Verder dan een zekere onrust die het – enige niet eigentijdse – werk van Piper oproept, lijkt het aangekondigde ter discussie stellen van de voor- en nadelen van multitasking niet te gaan. Er is vooral aandacht voor welke actor in welke situatie de overhand krijgt en zodoende passeren ook enkele mogelijke verschijningsvormen van multitasking de revue. Voor- en nadelen van multitasken door de mens worden weliswaar in de multimediale introductie op de tentoonstelling aan de hand van resultaten uit wetenschappelijke onderzoeken aan de toeschouwer gepresenteerd. Dit maakt niet dat er binnen de tentoonstelling en haar werken sprake is van een discussie over het nut of de wenselijkheid van deze ontwikkeling, buiten het feit dat computers er wellicht beter in zijn dan mensen. Multitasking blijft in het SM’s een bezigheid.Het afwezig zijn van de discussie neemt niet weg dat in deze tentoonstelling het uitvoeren zelf en de actoren die daarmee gemoeid zijn op een interessante en volle wijze aan het licht worden gebracht. Met een paar zeer sterke werken belicht Multitasking haar naamgevende concept op een afgeronde manier.

 


Hotel Modern, Rococo
Antwerpen, Bourlaschouwburg, 22-08-2008

Hotel Modern, Rococo


Wolf in schaapskleren

Een wit zeil op het podium is het territorium geworden van een verzameling rotzooi. Spullen waarmee je de garage die je verder toch niet gebruikt volstouwt. Plotseling is daar een figuur met wolvenkop. Liggend op een trolley begint zij de mogelijkheden van de aanwezige rommel te testen. In deze ontdekkingsreis wordt zij al snel bijgestaan door een mannelijke variant van dit eigenaardige wezen.
Op kinderlijke wijze worden voorwerpen ontdaan van conventies. Combinatiemogelijkheden ontstaan totdat de aandacht op iets anders valt. Subtiliteit is hierbij geenszins een uitgangspunt, alles wordt geïnitieerd door een ongebreidelde creatieve oerdrift. Van gootsteenontstopper tot kaplaars, alles krijgt een nieuwe identiteit of functie aangemeten. Wanneer er onderdelen van een skelet aangetroffen worden, verandert een omgekeerde ribbenkast in een mandje voor de overige ledematen. Een schedel krijgt een cursus klappertanden door tegen een draaiend fietswiel gehouden te worden. In hun speelse onschuld en naïviteit zien de wolfwezens niet dat ook zij uit zo een skelet bestaan.
Vanaf het begin klinken knallen van stukken bubbeltjesplastic die her en der over de vloer verspreid liggen. Dit wordt al snel genegeerd en voor normaal aangenomen. Plotselinge lichtwisselingen krijgen al even weinig aandacht en staan los van de handelingen van de figuren op het podium. De omgang met de objecten verandert ondertussen van associatief naar steeds meer verhalend. Objecten worden niet slechts samengevoegd, maar figureren ook in korte scènes. Het resultaat hiervan wordt versterkt met een vingercamera en projectie op een scherm. Hierdoor worden de figuranten van klein keramiek naar ‘grote-mensenformaat’ gebracht.
Naarmate de voorstelling vordert, groeit de belangstelling voor het eigen lichaam. De geuren van de verschillende geslachten worden vergeleken, we zien geëxperimenteer met een drol en het mannetje doet verwoede pogingen met een waterpomptang vat te krijgen op zijn lid. Dit alles met een argeloosheid die aan kinderlijke onschuld grenst. Hierdoor blijft een te verwachten banaliteit lang uit. Als binnen de eerder genoemde korte scènes steeds vaker een rol weggelegd blijkt voor erecte penissen die menig gat penetreren, wordt er langzaamaan aan onschuld ingeboet.
Ook vanuit een andere hoek haalt de realiteit de onbezonnen ontdekkingsreis in. Wanneer het geronk van vliegtuigmotoren de wolfwezens beweegt tot gewapper met witte vlaggen ontstaat een associatie met het aanspoelen op een onbewoond eiland het. Ineens krijgt de theatrale speelplaats een bestemming en kunnen de plotselinge lichtwisselingen toegewezen worden aan de natuur of, zo je wilt, een godsfiguur. De onschuld verdwijnt hierop onherroepelijk doordat vanuit de nieuwbakken hemel de grond letterlijk onder alles en iedereen weggetrokken wordt. In het desolate landschap dat achterblijft zien we de wolfwezens die menselijke voeten boven de barbecue klaarmaken. Het onschuldige spel is verworden tot een noodzakelijk kwaad. De tijd van het huppelende lam is voorbij, de wolf moet gevoed worden.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *