Culturele instellingen en het publiek: wat leren we waar?

Dit weekend zag ik drie tentoonstellingen in Den Haag en Scheveningen. Daarbij zag ik mooie dingen, maar achteraf bleef ik toch zitten met de vraag hoe die mooie dingen nu eigenlijk het best een plaats kunnen krijgen buiten de tentoonstellingsruimtes. Vooral omdat er in dat moois veel zit waar we lessen uit kunnen trekken die maatschappelijk relevant zijn.

Ik begon bij de tentoonstelling Van Rodin tot Bourgeois: Sculptuur in de 20e eeuw in het Gemeentemuseum. Naast een overzicht van enkele hoogtepunten uit deze periode, gaat de tentoonstelling ook in op hoe sculptuur de ruimte veroverde. Beeldhouwkunst stond namelijk lange tijd te boek als saaier dan schilderkunst omdat het dan wel in de ruimte stond, maar deze niet kon bespelen. Ruimte kon niet worden gemanipuleerd of gesimuleerd, zoals in de schilderkunst juist zo veelzijdig gebeurde. Totdat we aankomen bij de Minimal Art, stelt de zaaltekst. Op dat punt is de verovering volbracht en wordt voor de beeldhouwkunst ‘alles mogelijk’. Het is een mooie kunsthistorische tentoonstelling die sterk op de eigen collectie is gericht. Deze blijft dan ook heel sterk binnen het museum bestaan, de wereld erbuiten komt nauwelijks aan de orde.

Heel anders was dat bij de tentoonstelling Games People Play in Nest. De curator van deze tentoonstelling, Katia Krupennikova, verteld in een inleidend filmpje hoe zij als kind ‘Batman en Robin’ speelde. Door ergens in te geloven, ontstonden nieuwe regels in de dagelijkse wereld die geaccepteerd werden om het spel te kunnen spelen. Dit bewoog haar om in een tentoonstelling te kijken hoe kunst vanuit een onderzoek naar spel, de maatschappelijke rol van (spel)regels kan belichten. Alle werken belichten inderdaad vanuit een eigen insteek dat idee van regels die aanwezig zijn in de samenleving, hoe we deze gebruiken en wanneer we deze loslaten om andere regels op te zoeken. Maar ook hierbij blijft het zonder vertaalslag naar een bredere context een tentoonstelling die op zichzelf blijft staan. De handeling van de tentoonstelling komt ook hier eigenlijk niet over de drempel van de tentoonstellingsruimte.

In museum Beelden aan Zee zag ik vervolgens Picasso aan zee. Een belangrijk gegeven daarbij was dat Picasso getriggerd werd om met keramiek te gaan werken doordat hij in Zuid-Frankrijk in het plaatsje Vallauris terecht kwam waar al sinds de Romeinen met keramiek wordt gewerkt, door de goede klei die daar van nature aanwezig is. Het wordt duidelijk dat zo’n eeuwenoud ambacht en hedendaagse autonome kunst niet ver van elkaar af hoeven te staan. Het is niet het een of het ander, ze bedruipen elkaar en kunnen een waardevolle overeenkomst vinden in de fysieke plek waar ze beoefend worden. Dit kan een nieuw licht werpen op de wijze waarop autonome kunst een waardevolle bijdrage kan leveren aan heel wezenlijke en bruikbare elementen in de samenleving, zonder alleen maar een elitair experiment te zijn. Zo’n argument past alleen niet in een tentoonstelling als deze. Het zou de kracht en het overzicht in de tentoonstelling onderuit halen en zou ook niet overtuigend gemaakt kunnen worden in deze context. Maar hoe zorgen we daar als culturele sector beter voor dat dit op een overtuigende wijze op een andere plaats wel gebeurt?

Natuurlijk zijn presentatieruimtes plaatsen waar kunst – het woord zegt het al – wordt gepresenteerd. Maar waarom wordt er niet aan de hand van tentoonstellingen meer gesproken over wat de bredere betekenis van die presentaties is? Wat tentoonstellingen juist zo verrijkend maakt, is de potentie om de kleine culturele ontdekkingen van kunstenaars en tentoonstellingsmakers te vertalen naar een breder kader binnen de wereld om ons heen. Als een kunstenaar of tentoonstellingsmaker goed werk levert, worden namelijk wezenlijke dingen blootgelegd, die vaak symptomatisch zijn voor hun tijd. Want het is juist inspirerend om te leren dat beeldhouwkunst zich van een stigmatiserend imago moet ontdoen om verder te kunnen ontwikkelen. Dat beeldhouwers alles op alles hebben gezet om het tegendeel van deze vooroordelen te bewijzen. Wat zegt dit over hoe wij zelf met dit soort remmingen om zouden kunnen gaan? En het speelse omgaan met regels kan juist sterk bijdragen aan het ontdekken van regels die weliswaar nog functioneren, maar totaal niet meer bijdragen aan het verbeteren of zelfs maar behouden van een situatie. Dat biedt een enorm relevant inzicht voor zowel de regels die we zelf stellen in ons dagelijks leven, als voor regelgeving op (inter)nationaal niveau.

Het zou zo mooi zijn als er, wanneer bij programma’s als DWDD over kunst gepraat wordt, niet alleen een BN-er verteld over zijn passie voor een kunstwerk en hoe je daar naar zou kunnen kijken – hoe goed Joost Zwagerman dat ook deed. Maar juist dat kunst aan de actualiteit gekoppeld wordt en het gaat over hoe kunst in een bredere context een rijkdom aan mogelijkheden biedt om bestaande en nieuwe standpunten in het maatschappelijk debat beter te begrijpen. Iets waar we als culturele sector een steek hebben laten vallen, waarvan de noodzaak volgens mij enorm is. Juist nu.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *