Avant-garde of persoonlijke rancune?

In nummer 6 van de Groene Amsterdammer van dit jaar, las ik in de special over 100 jaar avant-garde het artikel Radicaal nutteloos van Koen Kleijn. Hierin werd de vraag gesteld waarom men het nog steeds heeft over de avant-garde. Zijgroene_6_webn stelling blijkt uiteindelijk te zijn dat er in Nederland nauwelijks kunstenaars zijn die je ‘avant-garde’ zou kunnen noemen. Sterker nog, het zouden in Nederland en daarbuiten de instituten zijn die een ‘avant-gardebegrip levend houden om daarmee de waarde van vooruitstrevende kunst voor de maatschappij te bewijzen.’ Het risico dat Kleijn daarin ziet – en waarin hij zich gesterkt ziet door het rapport Cultuur herwaarderen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – is dat de kunstenaar als dienstverlener wordt weggezet. Een goed punt, zo lijkt het. De instrumentalisering van kunst en cultuur door overheden is dan ook niet voor niets een thema dat vaak terugkomt in de kunstsociologie. De manier waarop hij tot dit punt komt en de onderbouwing ervan is echter problematisch. Hoe langer ik erover nadenk, hoe lastiger het is om de redenering van Kleijn vol te houden.
Aan het begin van het artikel wordt gesteld dat het leven van de gemiddelde Nederlander is ‘doordesemd van cultuur’. Dit wordt geïllustreerd door wat ‘de Nederlanders aan de muur hebben hangen’. Wat dit is wordt niet duidelijk. Ook kopen we blitse meubels en vazen van Hella Jongerius bij de Ikea. Blijkbaar is een interieur uit de VTwonen een teken van cultuur. Tegelijkertijd wordt de jury’s van de Britse Turner Prize en de Prix de Rome in Nederland verweten van alles onder de kunstparaplu te halen. Dit zou namelijk betekenen dat het in de traditionele kunsten niet te vinden is. Dat cultuur en beeldende kunst niet hetzelfde is onderschrijf ik graag, maar wanneer je een artikel over avant-garde in de beeldende kunst vervolgens besluit met de opmerking dat het juiste en vooruitstrevende argument – ‘al zo oud als de weg naar Rome’ – is dat ‘cultuur er moet zijn omdat cultuur er moet zijn’, ben je niet bepaald consequent over de plaats waar de avant-garde in de beeldende kunst gezocht zou mogen worden.
Daar ligt dan ook het grootste bezwaar dat ik tegen het artikel heb: hoe definieert Kleijn de avant-garde? Hij zoekt blijkbaar naar vooruitgang en het nieuwe; naar kunst die het leven glans geeft. Maar toch moet dit blijkbaar in de traditionele kunsten worden gezocht. Philippe Sers omschrijft in zijn tekst The Radical Avant-Garde and the Contemporary Avant-Garde de kenmerken van de avant-garde onder andere als ‘The systematic exploration of all forms of alterity, which thwarts the possibility of confining art to a single cultural tradition and opens creativity to faraway, foreign, or “primitive” civilizations and works of art.’ Hoewel dit slechts één omschrijving is, geeft het een belangrijk inkijkje in het veelzijdige en anderssoortige streven van veel vroege avant-gardekunstenaars. Het is niet het ontwijken van nut, maar het losbreken van beperkende tradities. Nuttig werk hoeft dus niet – zoals Kleijn beweert – ‘anders dan gewone kunst’ te zijn. Vierkante kleurvlakjes op een doek zijn volgens hem radicaal en nutteloos, toonbeeld van een kunst die ‘zich van niemand iets hoeft aan te trekken.’ Wanneer hij hiermee verwijst naar Mondriaan of andere schilders van rondom de Stijl, blijkt hieruit zijn onkunde aangezien deze kunstenaar nu juist een internationaal streven aanhingen om te zoeken naar een universele beeldtaal die mensen de nieuwe tijd in zou helpen. Een belangrijke bondgenoot hierin was bijvoorbeeld het Duitse Bauhaus, waarin alle vormen van kunst, architectuur en vormgeving samenkwamen. Radicaal? Jazeker, maar nutteloos allerminst. Het geven van glans aan het leven betekende voor de avant-garde kunstenaars dan ook niet dat er mooie, blitse meubels in de huizen stonden, maar dat kunst een cultuur zou helpen vormen waarin nieuwe denkbeelden de oude zouden doorbreken om zo tot een meer flexibele maatschappij te komen. Of, om Sers nog maar een keer aan te halen, ‘the will to transform the world through art, which takes on the status of a specific and privileged instrument of transformation.’
Dat Kleijn het probleem van een gebrek aan voorvechters in de kunst zoekt bij instituten en de jury’s van prijzen in de beeldende kunst vind ik dan ook kortzichtig. De projecten die hij hekelt zijn winnaars van de Turner Prize 2015 en enkele genomineerden voor de Prix de Rome in hetzelfde jaar. Hierbij is namelijk geen sprake van kunstenaars, maar van collectieven die op de grens van beeldende kunst en meer toegepaste disciplines werken. Deze noemen zichzelf dan ook niet altijd kunstenaar, maar doen bijvoorbeeld aan social engineering of aan vormen van ‘datavisualisatie, informatie-design, misschien zelfs journalistiek.’ Goed gezien door Kleijn. Maar door hieruit af te leiden dat we in een Dickensiaanse roman beland zijn waarin de avant-garde ‘as dead as a doornail’ is, slaat hij de plank volledig mis. De avant-garde kan juist vanaf haar begin omschreven worden als een discipline-overscheidende gedachte, als een gepassioneerd loslaten van hokjes als ‘beeldende kunst’ om zo de wereld opnieuw te kunnen aanschouwen. Het lijkt er wat mij betreft meer op dat Kleijn dit artikel gebruikt om een persoonlijke rancune te etaleren dan om iets te schrijven over de status van een avant-gardebegrip in de hedendaagse kunst.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *