Culturele instellingen en het publiek: wie bepaalt?

De bezoekerscijfers bepalen het succes van een tentoonstelling of zelfs van een museum als geheel. In de politiek wordt dit vaak als logische gedachte gezien, in de kunstwereld net zo vaak als bedreiging voor de autonomie en het vormende belang van de kunst. Hoewel ikzelf sterk naar het tweede standpunt neig, zie ik hierachter nog een vraag die ik veel interessanter vind: is überhaupt duidelijk wie bepaalt wat er in de tentoonstellingen te zien is?
Ter afronding van een master kunstsociologie schreef ik enkele jaren geleden een scriptie over de identiteitsvorming van middelgrote musea in Nederland. Welke vrijheden en mogelijkheden hebben musea met een beperkt budget om zichzelf vanuit een duidelijk missie te profileren? Daarbij bleek dat door de bureaucratie van de organisatie, maar vooral ook door de samenstelling van de collectie en de inbedding in de gemeenschap een museumdirecteur veel minder zeggenschap heeft over de ‘smoel’ waarmee een museum naar buiten treedt dan vaak wordt gedacht. Achteraf gezien had ik daarbij nog een volgende stap kunnen zetten door te bestuderen hoe je dan eigenlijk kan beredeneren dat collectiestukken een actieve rol spelen in het bepalen van het museumbeleid. Hiervoor bestaan theorieën die de handelende rol van objecten verkennen. Concreet zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het Rijksmuseum voor een groot deel afhankelijk is van Rembrandts Nachtwacht. Het schilderij heeft dus een zekere macht over het museum en de keuzes die haar directie en conservatoren kunnen maken. Dit is een vrij simplistisch voorbeeld, in de meeste gevallen werkt het natuurlijk een stuk ingewikkelder. Maar het is interessant om eens stil te staan bij deze onderlinge wisselwerking tussen collectiestukken, bezoekers en directie/conservatoren. Dit heeft namelijk veel invloed op de kneedbaarheid van een instelling.

Nachtwacht_Rijksmuseum_LED_met_FransIk kwam hierbij de term iterabiliteit van Derrida tegen, kort door de bocht het gebruik van een betekenis in een nieuwe context. Het zou vanuit deze gedachte moeilijk zijn om van een verandering – zoals in museumbeleid – te zien of dit een eerste stap in een vernieuwing is, of een tweede of derde stap in een ontwikkeling die al langer bezig is. Met betrekking tot culturele instellingen zou je hieruit kunnen concluderen dat het succes van een tentoonstelling of museum in zijn geheel bepaald wordt binnen een veel langere termijn dan die waarmee in de discussies over succesformules voor musea in het huidige debat rekening wordt gehouden. Verleden en zelfs toekomst spelen een grote rol. Om voor het gemak weer even terug te grijpen op de Nachtwacht kun je hierin stellen dat het werk niet alleen zijn stempel heeft gedrukt op het gebouw waar het in te zien is (de zaal werd speciaal ontworpen voor het werk), maar bijvoorbeeld de hoeveelheid publiek die het werk zal blijven aantrekken zal onherroepelijk ook in de toekomst een effect hebben op de keuzes die binnen het museum gemaakt worden. Goede keuzes voor een toekomst (en heden) zijn wat mij betreft dan ook gebaseerd op meer dan alleen de wisselwerking tussen publiek en het ene werk, of  het publiek en het instituut als geheel. Het is een veel ingewikkelder pakket van invloeden waarbinnen keuzes gemaakt moeten worden die duidelijk maken hoe het geheel zich ontwikkelt en op welke wijze dit het sterkst gebeurt. Wanneer de nadruk teveel ligt op de wensen van de instelling, het publiek of de kunstenaar als op zichzelf staande partij, kunnen er in mijn optiek dus geen keuzes worden gemaakt die op de lange termijn houdbaar zijn. Een besef dat vaak lijkt te ontbreken.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *