Culturele instellingen en het publiek: verkiezingen.

Met de Provinciale Verkiezingen voor de deur is het interessant om eens te kijken naar de verkiezingsprogramma’s en het aandeel dat kunst en cultuur daarin hebben. Uit ervaring weet ik dat de provincie Utrecht de subsidies voor uitvoerende kunsten (door individuen en instellingen) heeft geschrapt. Ik vroeg mij af hoe het wat dit betreft met de plannen zit van de partijen die het in Noord-Holland voor het zeggen hebben, aangezien ik in Amsterdam woon en dus ook stem. Na een rondgang langs de verkiezingsprogramma’s wordt duidelijk dat de overwegende tendens is dat cultuur (over kunst wordt eigenlijk niet gesproken) vooral iets is waarvoor we gezamenlijk zorg moeten dragen omdat het de leefomgeving verbetert, toeristen aantrekt en dus voor werkgelegenheid zou kunnen zorgen. Sporadisch wordt er ook nog genoemd dat cultuur goed verspreid moet worden in de provincie zodat iedereen gelijke toegang heeft en dat de verspreiding en kwaliteit van cultuureducatie moet worden bewaakt. Oftewel: cultuur is gemeengoed dat moet worden beschermd.
Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat de handelende rol die kunst en cultuur kunnen spelen daarmee buiten spel wordt gezet. In het noodnummer van Open – cahier over kunst en het publieke domein  (2011) stelde Willem Schinkel het politieke tegenover de politiek; het idee van de rol en functie van politiek tegenover de manier waarop de politiek wordt bedreven. Je zou in die geest kunnen zeggen dat kunst en cultuur in de politiek zoals die voor de komende verkiezingen in de steigers staat, geen rol van betekenis speelt maar wordt gezien als een goed dat kan worden verhandeld, als ware het een ruilmiddel.
Met deze gedachte in het achterhoofd, stuitte ik bij het lezen in een oude Metropolis M (2007, nr. 5) op een artikel door Anselm Franke. Hierin stelt hij dat het politieke van kunst niet ‘het aankaarten of verbeelden van iets politieks’ is, maar ‘het denkbaar maken van een politieke daad.’ Hieraan verbindt hij een theorie van de antropoloog Arjun Appadurai die stelt dat met de moderniteit de verbeelding van gewone mensen vrijheid heeft gekregen. Bijkomstigheid is daarbij alleen dat kunst niet meer het alleenrecht heeft om de verbeelding te bevrijden. Binnen de sociologie leerde ik al lang geleden dat wat van oudsher als ‘hoge kunst’ werd gezien niet meer alle aandacht van de culturele elite opeiste, maar dat diegenen die zich in kunst en cultuur interesseren worden gezien als culturele veelvraten. Alls vormen van vermaak en zinsbegoocheling kunnen rekenend op een deel van de aandacht, hoe hoog of laag het ook is. Dit zou mogelijkerwijs de transformatie tot een ruilmiddel van kunst en cultuur in de hand hebben gespeeld. Waarin zit dan het onderscheidende vermogen van kunst en cultuur? Welke werkelijkheid weet het voor te stellen waarbinnen instellingen, politiek en het publiek samen vooruit kunnen?
Franke stelt dat met het succes van de markt het ‘verzet van het individu’ is geneutraliseerd. De verbeelding is afgesneden van mogelijke consequenties en nieuwe wereldbeelden worden als reclamebeeld gebruikt zonder dat ze uitgevoerd hoeven worden. Dit brengt hem zoals gezegd tot de conclusie dat de politieke daad die kunst in zich draagt daarin bestaat dat het ervoor zorgt dat ‘over het niet-onderhandelbare weer onderhandeld kan worden.’ Juist dit actieve element dat de culturele uitingen in hun vele verschijningsvormen in zich dragen zou een meer prominente plaats verdienen in de komende verkiezingen waarin vragen over de identiteit van de Eerste Kamer en daarmee ons gehele politieke bestel zo’n belangrijk onderliggend vraagstuk vormen.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *